Plankenkoorts

Dit jaar maakt Babs deel uit van het bestuur van haar studievereniging. Als voorzitter is het haar taak om tijdens de bachelor-uitreiking van haar studie een felicitatiepraatje te houden – een voor haar te overwinnen angst.

Het is maandagavond, half zes. De bachelor-uitreiking van mijn studie is nét begonnen. Op dit moment spreekt een docent de geslaagden en hun familieleden toe over een communicatiewetenschappelijk onderwerp waarvan de rode draad iets met vluchtelingen en media te maken heeft. Het lukt me maar niet om me te focussen op zijn verhaal. Het enige waar ik me mee bezig kan houden is het idee dat ik straks zijn plaats achter dat hoge praatding zal moeten innemen. Voor zo’n 250 man mag ik mijn woord van felicitatie uitspreken. Piece of cake voor een voorzitter, zou je zeggen. Helaas is voor mij niets minder waar.

‘JIJ?! Moeite met spreken voor een publiek?! Maar jij praat altijd zó makkelijk!’ Is vaak de reactie die ik krijg wanneer ik aan mensen opbiecht dat ik flink aan plankenkoorts lijd. Hoewel ik inderdaad in het dagelijks leven nooit moeite heb om mijn mond open te trekken, ga ik toch echt iedere vorm van een spreekbeurt voor publiek uit de weg. Presentaties, collegepraatjes en speeches voor meer dan tien man zorgen bij mij al jaren voor klamme handjes en een verhoogde hartslag. En met een beetje geluk óók nog een trillende stem.

Zo ook op dit moment. Zenuwachtig schuif ik op mijn stoel heen en weer. Ik zit op het podium, waar normaal gesproken alleen belangrijke universiteitsmensen horen te zitten. Wat zou het fijn geweest zijn als ik gewoon gezellig, comfortabel en onopvallend tussen het publiek had mogen zitten. Maar nee, vanavond hoor ik ineens bij de belangrijke mensen. Heel even vraag ik me af waarom ik ook alweer zo nodig voorzitter wilde worden, wetende dat ik dit soort dingen toch echt zou moeten doen.

Om mezelf iets rustiger te maken, probeer ik nogmaals mijn verhaal in mijn hoofd door te nemen. De control freak in me had ervoor gezorgd dat ik deze avond perfect voorbereid in zou gaan. De tekst had ik eerder vandaag bedacht en in steekwoorden op papier gezet. Niet dat ik deze nodig zou hebben… Ik had de tekst zo vaak gelezen dat ik hem volledig uit mijn hoofd kende. Bijna tien keer droeg ik de speech voor aan mijn eigen spiegelbeeld. Omdat ik niet wilde dat het praatje té ingestudeerd over zou komen, had ik zelfs een manier proberen te vinden om er een mate van spontaniteit in te brengen.

Helaas konden al deze (veel te overdreven) voorbereidingen niet die vervelende zenuwen wegtoveren. Net toen ik bij wijze van afleiding de lampen in het plafond wilde gaan tellen, hoorde ik mijn naam. Shit, nu moet ik. Snel stond ik op en trok ik mijn rok recht. Even die buik inhouden, een zelfverzekerde pokerface opzetten en gáán.

De weg van mijn stoel naar de microfoon leek kilometers lang te duren. Ik vervloekte mezelf om de keuze om tien centimeter hoge hakken aan te doen, die mijn entree niet veel stabieler maakten. Toen ik de zaal in keek en mezelf voorstelde, viel er in eens een heel fijn kwartje. Wat had ik nou eigenlijk te verliezen? Als ik alleen al ‘gefeliciteerd’ zou zeggen en wat clichés over een goede prestatie eruit zou gooien, zou het wellicht al voldoen. Gelukkig had ik met dank aan mijn voorbereiding wel een iets meer gevuld en minder karig praatje. De meest ideale situatie zou zijn dat mensen hier en daar toch even zouden moeten (glim)lachen om de inhoud van mijn tekst. En natuurlijk dat mijn stem niet zou trillen. Tijdens de speech merkte ik dat dat eerste gebeurde, dat laatste helaas niet. Maar ach, vanavond hoor ik even bij de belangrijke mensen, dan maakt het vast niet zo veel uit. Een perfecte voorzitter bestaat niet.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

*