Column: Ingedommeld

Sinds Joëlla is begonnen aan haar coschappen, staat ze met een been in het burgerleven en probeert ze met haar andere been nog wanhopig in de studentenkroegen te blijven staan. Soms moet echter alles even wijken en is slapen nog het enige dat telt.

Al sinds ik klein ben, weten m’n ouders het: ik ben een avondmens en uitslapen is zeg maar echt wel mijn ding. Nog steeds ben ik van mening dat een werkdag niet voor tien uur ’s morgens zou moeten beginnen, maar ’s avonds kan ik oneindig doorgaan. Geloof me, ik houd van slapen, maar ik duik gewoon nooit vroeg in bed. In de trein naar coschap toe pak ik de extra minuutjes slaap wel weer.

Uiteindelijk maakt het geen verschil: of ik nou veel heb geslapen of weinig, ochtendoverdrachten in een schemerige, warme, zuurstofarme, afgesloten kamer maken me slaperig. Het is me meer dan eens overkomen dat mijn mede co-assistenten me een subtiele por in de zij geven om me bij de les te houden. Gelukkig weet ik dat ik hier absoluut niet de enige in ben en gelukkig weten de meeste arts-assistenten dat ook.

Toch blijft het hier niet altijd bij. Als het spreekuur begint en ik op een krukje naast de arts neerplof om de rest van de ochtend aan te horen wat die met de patiënten bespreekt, wil mijn lichaam maar één ding: verder slapen. Hoe interessant ik de patiënten of de gesprekken ook vind, af en toe voel ik hoe mijn oogleden langzaam naar beneden zakken. Soms schrik ik op, me realiserend dat ik even een seconde weg was. Elk trucje heb ik geprobeerd: m’n kaken op elkaar klemmen, m’n ogen tot spleetjes persen, ze juist open sperren, mezelf knijpen, wiebelen met m’n voeten (vindt de arts vooral heel irritant), steekwoorden mee opschrijven, niks lijkt te helpen. Hoe minder ik zelf te doen heb, hoe erger het is.

Zo ook op een van de zonnige dagen waarbij we pasgeleden allemaal weggesmolten zijn. Terwijl de zon door de ruiten mijn rug verwarmt, zit ik naast de verpleegkundige die een uitgebreid verhaal aan een patiënt uitlegt. Mijn aandacht zakt langzaam weg en ik staar naar de tatoeage op de arm van de patiënt. Aan de uitgelopen lijnen en de leeftijd van de patiënt te zien, zit de tattoo er al lang. Er staat een woord waar ik niet helemaal uit kom. De tatoeage lijkt niet heel professioneel gezet, waardoor ik eerst ‘bae’ lees. Mijn gedachten dwalen verder af: ‘bae’ zal er gezien de leeftijd van de patiënt en tattoo waarschijnlijk niet staan.
De verpleegkundige is nog steeds een verhaal aan het vertellen en als ik de patiënt verder in me opneem, zie ik dat ook hij is afgehaakt. Ik tuur weer naar de arm van de patiënt en probeer het plaatje verder te ontcijferen. Slaperig knipperend met m’n ogen maak ik er nu ‘bse’ van, maar ik realiseer me dat dat vooral een medische term is. Na een paar minuten zie ik het: er moet ‘Joke’ staan, en het kwartje begint te vallen. Ineens hoor ik de stem van de verpleegkundige tot me doordringen. “Een vraag voor jou, waarom doen we dat?” Geschrokken en nog deels versuft kijk ik op, “Wat?”. De verpleegkundige kijkt ongeduldig en herhaalt de vraag. Helaas heb ik de helft van haar verhaal gemist en blijf ik haar het antwoord schuldig.

“Go Joëlla, zo scoor je punten” wijs ik me in mijn hoofd met sarcastische toon terecht.

Misschien moet ik toch maar eens koffie leren drinken.


Over Joëlla Bomgaars

toon alle berichten

Zat vast op haar geneeskunde-eilandje, maar leerde dankzij nultweevier.nl de Nijmeegse campus kennen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

*